Alleen

Ik stond in een kamer. Of misschien was het Het Oneindige. Het was donker. Net licht genoeg om mijn eigen handen voor mijn gezicht te kunnen zien. Te donker om verder te kunnen kijken. Was het De Dood?
Ik wilde een stap zetten, maar het lukte niet. Mijn spieren waren versteend, mijn voeten vastgeplakt aan de vloer. Ik wilde iets zeggen, maar het lukte niet. Mijn tong zat tegen mijn gehemelte gedrukt en ik kreeg mijn lippen niet van elkaar. Ik keek in het duister zonder te zien. Een stem riep me, maar ik hoorde het niet.
‘Luna!’ riep de stem, steeds sneller en harder, als messteken in mijn oren. Ik sloeg mijn handen voor mijn oren, maar het hielp niet en ik besefte dat ik zelf riep.  Een onbekende kracht duwde me op mijn knieën en langzaam leek ik te kalmeren.
Was dit de dood? De hel? Ik wist het niet.
Ik lag nu op de grond, die koud en hard was, maar ik voelde het niet. Ik voelde een hand die naar mijn hand tastte en ik reikte mijn eigen hand in het duister naar iemand uit.
‘Kom mee, Luna,’ zei een stem die absoluut zeker weten niet  van mij was. Ik zei niets terug, maar de hand liet niet los. Hij zoog me mee in een diep, eindeloos zwart gat. Ik viel en viel en viel, er leek maar geen eind aan te komen. Toen landde ik met een harde klap op de grond of iets. Het deed geen pijn. Was dit de dood? Het leek er verdacht veel op. Maar ik wist het niet.
Ik was alleen. Waar was mama? Papa? Elliot? Ze waren weg. Of toch niet… Ik keek omhoog en zag de vage omtrekken van hun gezichten in de lucht. Ik reikte er met mijn hand na, maar ze leken te ver weg, onbereikbaar. 
‘Mama,’ zei ik. Ik proefde zout op mijn lippen en besefte dat ik huilde. ‘Mama.’ Ik probeerde nog een keer haar gezicht aan te raken, maar heel langzaam vervaagden de gezichten.
‘Nee! Ga niet weg!’ schreeuwde ik. Maar mijn moeder luisterde niet. Ze verdwenen allemaal. Toen waren ze weg. En ik was alleen.
Ik was alleen, helemaal alleen.